Getuigenis Jan Vermeire van 1985

Getuigenis van Jan Vermeire.

Ik had alles, maar geen vrede!

Getuigenis van Jan Vermeire op het jongerenweekend van de Maria-Kefasgemeenschap:
De geringste van mijn broeders, 23-25 augustus 1985

Lied:
Ikzelf riep u bij uw naam: wees dus ook mijn getuigen.
Waarheid is elk woord van Mij. Ik breng leven. Ik ben de Weg.
Zoals Ik u heb bemind, houdt gij zo van elkander.

Goeiemorgen. Zusjes en broerkes… Ik ben onder de indruk gekomen van uw gebed. Ik kom u niets leren. Ik heb al van u geleerd. En ik ben blij dat ik hier ben. Ik ben altijd blij als ik mensen ontmoet die Jezus zoeken, die Hem gevonden hebben, die Hem leren kennen, die Hem leren navolgen, die Hem leren graag zien.
Ik heb jaren geleefd zonder Jezus. Ik had Hem niet nodig. Ik was een grote vent. Tot op de dag toen ik besefte dat ik maar een klein ventje was. En dat was een genadedag. Dat is 10 jaar geleden. Ik heb lang gedacht dat ik iemand was. Men zei het mij trouwens op de één of andere manier. Men deed zijn hoed af voor mij. Figuurlijk en dan ook wel eens letterlijk want in die tijd droeg men nog hoeden.
Ik dacht dat ik iets wist. Ik had een diploma. Ik had veel gestudeerd, of geprobeerd. Ik was er altijd goed door gekropen. En dan diploma. Ik heb niets tegen diploma’s. Ik heb lang gedacht dat ik iemand was, dat ik iets wist, dat ik iets kon. Nu weet ik dat ik niets kan, weet en niets ben zonder Jezus. En ik heb dat o.a. leren kennen in Poverello. Ik heb er al veel geleerd. Veel meer dan in mijn jaren praktijk. Veel meer dan aan de universiteit. Ik heb daar leren leven. De armen hebben mij leren leven. De armen wijzen mij voortdurend op mijn eigen armoede, op mijn kleinheid, op mijn afhankelijkheid. Ik ben mij bewust geworden dat ik klein ben en nu probeer ik dat te aanvaarden. Dat is niet zo simpel. Nochtans weet ik dat ik alleen kan leven van Gods barmhartigheid als ik klein ben. Dan zal Hij mij altijd bijstaan. Klein zijn dat wil niet zeggen: vol gepropt zitten met schuldgevoelens, een soort masochist zijn. Klein zijn, eenvoudig. En dat heb ik geleerd bij grote figuren als De Foucauld, zoals Franciscus, zoals Vincentius a Paulo, zoals Don Bosco, zoals Thérèse van Lisieux. Trezeke. Hm. Vroeger dacht ik: allee Trezeke. Oh, wat heb ik niet geleerd van Trezeke van Lisieux. Als ik hier zit, dan is het een stuk omdat zij mij naar heeft gebracht. Ik heb vroeger haar leven gelezen en vroeger dacht ik hm… als ik dat boekje zag liggen. Ik was een klein ventje en dat boekje lag op de nachttafel van mijn moeder: Histoire d’uneâme.
Ik dacht: wie leest dat nu. Als ik 7 jaar was dacht ik dat niet, maar als ik groot was, als ik al slim was, dacht ik: Allee wie leest dat nu: Histoire d’une âme. Ik heb dat gelezen als ik 55 was. Als ik een beetje slimmer geworden was. Ik heb daar enorm veel in gevonden en ik lees daar nu nog in. Dat klein nonnetje dat nooit haar klooster heeft verlaten. Dat miljoenen mensen heeft bezield, geïnspireerd, de weg gewezen. De weg van de kleinheid, van het kinderlijk vertrouwen in God, in Jezus.
Kom maar van alles tegen in uw leven. En zet u op uw knieën, dan wordt ge geholpen.
Steekt ge uw kop naar omhoog en denkt gij: ik ga het doen, dan loopt ge met uw kop tegen de muur en dan zit ge daar.
Ik heb veel geleerd en ik leer nog altijd in Poverello. Iedere dag. Omdat ik weet dat Jezus daar aanwezig is, zoals Hij hier aanwezig is. Overal waar mensen samen komen die trachten iets te doen voor elkaar, die trachten elkaar graag te zien, echt graag te zien. Daar is Jezus. Hij is liefde. Hij alleen kan liefde brengen. Niet wat de wereld ons geeft, maar wat Gij in ons hart steekt.

Poverello, de naam zelf: dat is Italiaans: de kleine arme. Poverello, dag Poverello: dat was Franciscus. Zo werd hij op straat begroet: dag kleine arme. En dat is al 800 jaar geleden. Toen reeds werd hij reeds op straat begroet met ‘dag Poverello’. Waarschijnlijk omdat hij dat zo goed heeft voor gedaan. Dat hij werkelijk arm was. Niet arm aan geld, maar vooral arm aan geest: overtuigd van zijn kleinheid. Zo heeft hij Jezus gevolgd en zo heeft hij Jezus graag gezien. En na 800 jaar is die bezieling daar nog altijd van Franciscus. Zoals van alle grote figuren. Eenvoudige mensen, maar grote figuren. Franciscus heeft in die acht eeuwen zeer veel mensen de weg getoond naar God. En toen we omtrent acht jaar geleden een huisje wilden openen voor kleintjes, voor mensen die aan de grond zitten. Toen dacht ik: “Poverello: dat zou wel een goede naam zijn.” Ik had dat gelezen een tijd ervoor, ik had nog niet lang mijn ommedraai gekregen en ik had een boekje gelezen ‘de nacht van de Poverello’. Een zeer mooi boekje en die naam was me bijgebleven. En toen er sprake was om daar een naam op te zetten, dacht ik “Poverello”. En hij staat erop: boven een ijzeren deurtje daar en dat staat in een blindemuur van 12 meter en boven de deur: Poverello.
Franciscus is ook niet zo ineens arm geworden. Dat gaat zomaar niet: men moet daarvoor kloppen krijgen. En de eerste klop was een ontmoeting met een melaatse. De rijke Franciscus die leefde van feesten en uitgaan. Die genoeg geld had. Zijn vader was een rijke vent. Geld genoeg. Hij kon het zich permitteren. En Franciscus kreeg geld van zijn vader. En die vader had gehoopt dat Franciscus ook zo’n rijke commerçant was geworden. Hij was enorm kwaad als Franciscus op een dag ‘nee’ zei. Maar hij heeft dat zomaar niet kunnen doen. Eerste klop: de ontmoeting van de rijke Franciscus met een melaatse. Moesten we straks in de dreef een melaatse tegenkomen. Of er daar ene zien zitten, zo een beetje als pater Damiaan met een gezwollen gezicht en bulten en een halve neus weggevreten, halve ringvingers weg. Ik denk: dat zou ons iets doen. Gelukkig kan ons dat iets doen, want sommigen doet dat niets meer. Eerste klop van Franciscus en de tweede dat was een bedelaar. Die rijke man had nog nooit een arme gezien en hij stond daar oog in oog met een arme. Zoals wij er alle dagen een paar honderd bij ons zien binnenkomen.
Tweede klop.
En de derde klop was definitief. Hij was aan het zoeken gegaan naar waarden, naar echt geluk. En hij kwam ergens aan in een klein vervallen kerkje. En toen zag hij daar een kruis hangen. Derde ontmoeting. Dat was hem fataal, die ontmoeting met dat kruis met die doodgebloede Christus eraan. Tot de laatste druppel heeft Hij voor ons gegeven. Alles. Hij is op zijn knieën gaan zitten: hij kon niet anders meer. Als je Jezus ontmoet ga je op je knieënzitten.
De derde ontmoeting was hem fataal, hij heeft alles verlaten. Hij had iets anders gevonden, andere waarden.
Franciscus leeft een beetje na in Poverello. Alle dagen een paar honderd mensen. Sommigen hebben niets. Niets. De klederen aan hun lijf. Dat is alles. Niets, dat wil zeggen: geen huis, geen thuis, geen vrienden, geen relaties, geen ouders, geen geld, geen werk, geen eten. Niets. Soms geen identiteitskaart. Dat is daar ook een plaag. ‘Ik ben mijn identiteitskaart kwijt.’ ‘Hoe?’, dat moet je niet vragen. Dat zijn allemaal mysteries. Daarop krijg je nooit een antwoord op. Wij stellen ook nooit vragen aan mensen. Wij hebben het recht niet om zomaar vragen te stellen. Als ik je nu een indiscrete vraag zou stellen. Dat zou je toch niet erg aanstaan. Mensen die in een restaurant zitten bijvoorbeeld. En je komt daar bij zitten en je vraagt: ‘Smaakt het? Zeg en hoe is het met u, bent u getrouwd? En hoe gaat het met dit en hoe gaat het met dat. En uw bankrekening. Hoe is het daar mee. Met wie heb je vanacht geslapen?’
Ik denk dat mij dat niet erg zou aanstaan. Waarom mag men dat doen met armen, met mensen zonder verweer. Mensen die niets hebben.
Mensen die niets hebben, die komen daar binnen. Maar ook mensen die iets hebben: een kamertje. Maar die daar creperen. Van eenzaamheid. De oudste hebben we al een tijdje niet meer gezien. Hij is 94. Een heel lief ventje. Spreekt vier talen. Overgrootvader, grootvader en vader. ’t Is vijf jaar geleden dat ze hem nog een bezoekje hebben gebracht. Hij is afgeschreven, hij telt niet meer, hij brengt niet meer op. Dus kunnen we hem niet meer gebruiken.
Dat is het! Madeleintje heeft ooit een klop gekregen. Madeleintje is al naar de hemel. Ze heeft ooit een klop gekregen van een man die bij haar dochter woonde. Op haar arm, een boks. Klein Madeleintje, een zielig vrouwtje, opgevreten door de miserie. Ze had haar checkje getrokken van rond de 15 000. Haar pensioentje. En iedere maand waren ze daar om haar hart af te knagen, om er wat geld van los te peuteren. En die ene keer heeft ze geweigerd. Ze kwam nooit toe want ze kwamen alles afhalen bij haar. En ze heeft gezegd: ‘het gaat niet.’ En toen heeft ze een boks gekregen op haar arm. En haar arm was over. Ik heb er een dia van. Met een plaaster.
Creperen van eenzaamheid en dan nog uitgebuit worden. Alle leeftijden. D.w.z. oude mensen. Bejaarden,… maar ook kinderen. Morgen wordt Cindy in de mis gedoopt. In Poverello. We hebben iedere zondag een eucharistieviering. In de zaal. Alle Poverello’s bij elkaar. Degenen die willen komen. Het is totaal vrij natuurlijk. En ook andere Poverello’s. Poverello’s die misschien met een chique wagen komen. Die 100 km doen om eens naar de mis te komen in Poverello. Omdat ze daar bidden.
Een vriend van mij was ook eens gekomen en na de mis kwam hij bij mij en hij kon er geen woord uitkrijgen. Hij zat daar met een krop in de keel en de tranen in de ogen.
Hij zei: ‘het is tien jaar geleden dat ik nog naar de mis ben geweest. Ik kon daar niet naartoe. En nu ben ik naar hier gekomen maar ik heb dat nog nooit meegemaakt: ik heb hier kunnen bidden. Het Onze Vader bidden. Hand in hand met gelijk wie naast u staat. Gewassen of niet, maar het is een broer, een zus van Jezus.’ Daar besef je -zoals ik dat hier heb beseft toen ik binnenkwam- dat wij allemaal broers en zussen zijn van Jezus.
Alle dagen tweehonderd mensen die naar het onthaal komen. Maar ook mensen die er kunnen slapen. Wij hebben 45 bedden. 30 in het ene huis en 15 in het andere. En we hebben vannacht een ligzetel moeten bijzetten en een paar matrassen. We hadden geen plaats genoeg. Gisteren waren er zo nog 5 bijgekomen die aan het dolen waren. 95% van degenen die bij ons komen, zijn Belgen en 5% zijn vreemdelingen van gelijk waar. Gisteren drie Ganezen die komen vragen waren of ze geen bed konden krijgen, of ze niet konden eten. Politieke vluchtelingen van gelijk waar. Pakistan, India. Maar hoofdzakelijk Belgen. Mensen die het niet meer kunnen. Ik zou zeggen, degenen die bij ons voor de eerste keer binnen komen zijn mensen die het niet meer kunnen. Die al overal hebben geprobeerd, al van alles hebben geprobeerd en waar het niet gegaan is. Mensen waar men al 20 keer mee geprobeerd heeft en wij proberen de 21e keer. Het is niet altijd zo eenvoudig. En de resultaten ziet men vaak natuurlijk niet. Men ziet er soms. Zoals kleine Cindy gedoopt zal worden. D.w.z. men zal morgen kunnen zeggen: Cindy is nu een kind van God geworden. Maar bij ons is dat zeer speciaal. Neemt dat belangrijke afmetingen aan. Is dat ‘echt’ als men dat mag zeggen: ‘het is een kind van God’. Wij zijn allemaal kinderen van God. Wij hebben dat enorm geluk van dat te mogen zijn. Hoe vaak heb ik dat beseft. Dat ik gedoopt was, dat ik een kind van God was. Ik heb er 30 jaar niet aan gedacht, dat ik een kind van God was. En dertig jaar gewerkt. O.a. voor mijn veiligheid. Welke veiligheid was dat: voor mijn bankrekeningen, voor mijn eigendommen. Voor mijn dit en mijn dat. Om op de ladder te kunnen gaan zitten. Zo hoog mogelijk. Om zich veilig te stellen in een hangmatje. Een meisje heeft me dat ooit gegeven in een tekening: ‘Poverello,’ zei ze. Dat is Poverello. Een ladder met van boven een hangmat met een dikke meneer en een dikke sigaar en een hoge hoed. De man die er gearriveerd was. Waar? Waar? Waar ik gearriveerd was. In mijn hangmatje. Mijn hangmatje voor mijzelf. Mijn geld. Mijn, mijn, mijn. Mijn wijnfles. Mijn reis, mijn hotelkamer. En dat is allemaal in elkaar gestuikt. Gelukkig.
Ik heb een vriend. Hij was 50 jaar en hij was aan het werken voor zijn veiligheid. En op een dag is hij dood gevallen, een hartinfarct. Hij was aan het werken voor zijn veiligheid. Voor later. Voor later wat?
Alle soorten mensen die bij ons komen. Daar kan ik nog 8 dagen over praten. Poverello is een onthaal voor mensen in nood, die op sukkel zijn, die niets meer hebben. Voor mensen die ergens slapen. Gelijk waar, in het station, op de grond. Ook als het zeer koud is. Op een stuk papier omdat dat warmer is. Die dan buiten moeten tussen 1 en 4 omdat het station sluit en die dan letterlijk buiten zitten.
Mensen die mentaal gestoord zijn. 7 op de 10 zijn psychisch of mentaal ergens gestoord of hebben iets tekort, kunnen het niet meer aan. Hebben het vroeger aangekund. Zijn van rijke afkomst, hebben alles gehad. Maar zijn door de knieën gegaan door de levensomstandigheden. Vrouw verloren, dochter dood gevonden. En wat weet ik nog allemaal. Tegenslag allerlei.
Mentaal, sociaal, familiaal. Allemaal handicaps. Veel familiale problemen. Fysische handicaps. Alcoholisme, een beetje drugs en zo allemaal bij elkaar.
Het is een onthaal voor mensen die het niet meer kunnen. Maar het is ook een gemeenschap. En ik denk dat dat zeer belangrijk is. Een gemeenschap die aan het groeien gaat, die aan het groeien is. Vanaf nul begonnen met een paar mensen die probeerden iets te doen voor mensen die aan het sukkelen zijn.
Maar dat facet gemeenschap is zeer belangrijk geworden. Even belangrijk als het onthaal zelf. Een gemeenschap die groeit met verschillende permanenten. Mensen die zich hebben geëngageerd om daar te leven. Leven volgens een leefregeltje. Wij proberen, het is niet altijd zo eenvoudig. Maar wij proberen. Een leefregeltje van één bladzijde waar alles in staat, denk ik. De helft van de bladzijde gaat over gemeenschap en de andere helft over het onthaal.
Twee teksten: Dit is mijn gebod: bemin elkaar zoals Ik u heb bemind.
Het is geen goede raad. Het is een gebod. Ik heb dat vroeger gelezen. Nooit doorgedrongen. Het is geen gebod van één van de meest vooraanstaande mensen. Het is van Jezus zelf. Bemin elkaar zoals Ik u heb bemind. Begin daar eens aan. Zonder Hem kan je het zeker niet. En wij proberen. Een gemeenschap die open staat voor iedereen. Leken, religieuzen. Jong of oud, gehuwd of ongehuwd. Veel vrijheid. Veel ruimte. Dus ook veel verantwoordelijkheid. Gemeenschap die dan gebaseerd is op 4 punten.
God staat centraal. Eucharistie, de werkelijke aanwezigheid van Jezus in Poverello. Een kleine bidruimte in het eerste huis in de Zuinigheidstraat. Twee meter op drie. Waar je vijf à zes keer per dag op je knieën gaat zitten en bekennen dat je het niet kan. Waar je de wijsheid vraagt om te weten: hoe moet ik dat nu weer trachten op te lossen. Waar je tot rust en tot stilte komt. Vrede vindt bij Jezus: altijd. En waar je dan terug weer naar beneden gaat en dan twee minuten daarna weer vergeten bent misschien dat je daarop je knieën hebt gezeten. Want daar zit je dan weer in die spanning, in die stress. In de Huidevetterstraat hebben we ook een gebedsruimte: groter. Waar gedurende het schooljaar, alle dagen een eucharistie wordt opgedragen voor jongeren, voor klassen die komen, voor groepen, voor volwassen van Ieper of van Poperinge of van Turnhout of van ergens anders. Die met een bus komen een dagje komen doorbrengen. Een beetje nadenken. Eucharistie: Jezus aanwezig.
Jezus weg, Poverello gedaan. Poverello is de Poverello van Jezus: niet van ons. Wij zijn de loopjongens. Wij mogen daar rondlopen van Hem. Dikwijls vraag ik mij af: ‘wat heb ik nu gedaan vandaag?’ Loopjongen van Jezus: dat mag gerust op mijn doodsbrief staan. ‘Ridder in de Leopoldsorde’, dat moet er niet meer opstaan. Maar loopjongen van Jezus: toch één van de mooiste titels, denk ik.
God in de eucharistie, gebed. Zonder gebed loop je daar weg. Dikwijls. Je vraagt je af: ‘wat zit ik daar nu te doen?’
Het gebeurt dat er daar gevochten wordt. Ik niet, ook niet één van de medewerkers. Wij vechten niet onder mekaar. Maar mensen die daar binnenkomen: totaal over hun toeren. In delirium soms. Ook alcoholisch delirium. Die dan soms van hun oren beginnen maken en andere mensen aanvallen. Dat is niet zo simpel. Ik heb nooit geleefd tussen mensen die vechten, die kwaad zijn, die mekaar uitmaken enzovoorts. En als je die dan buiten hebt gekregen, -want, ja dan moeten ze wel eens buiten op dat ogenblik- en je komt dan terug van dat deurtje. Je hebt ze tot op straat gezet opdat ze zouden buiten zijn, niet voor altijd maar voor vandaag. Dan kom je terug met zware benen. Loden voeten.

Als je iets wil doorgeven, moet je het zelf eerst een beetje trachten te zijn. Men kan niets geven dat men niet van binnen zitten heeft. En hetgeen men van binnenzitten heeft, komt steeds van dezelfde bron.
Dus een gemeenschap die probeert te leven in broederlijkheid.
En dan het onthaal: tweede helft van de leefregel.
Al wat je aan de minsten van de Mijnen heb gedaan -die mijn broeders zijn, die mijn broeders zijn, zegt Jezus zelf- dat heb je aan Mij gedaan. Ik heb dat vroeger ook dikwijls gelezen. Maar nu besef ik dat een klein beetje beter.
En weer hetzelfde: in Poverello of ergens anders kan men dat werkelijk een beetje beter begrijpen en trachten te beleven. Ik weet nu dat ik in Poverello het evangelie kan beleven. Vroeger was dat voor mij: mooie woorden, theorie,verhaaltjes. Maar het evangelie kan men daar beleven. Al die wonderbare teksten die Jezus ons is komen brengen.
Al wat je aan de minsten van de Mijnen hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan.
Als ik het scherp mag uitdrukken: de vuilste, de domste, de lelijkste, de armste die daarbinnen komt, het is een broer, een zus van Jezus. En dat is een enorme kracht als je dat weet. Hoe moeten wij daar de mensen ontvangen?
Zoals Jezus het zou doen, moest Hij in de Poverello staan. Je ziet Hem daar staan. Jezus staat in de Poverello mensen te ontvangen. Dus moeten we dat doen zoals Hij. Maar probeer dat maar eens. Ja, wij proberen.
Wij moeten proberen de mensen die in Poverello komen -en alle mensen trouwens- te leren kennen. Dat is niet zo eenvoudig. Het is al moeilijk misschien om een vriend te leren kennen, laat staan iemand wild vreemd die daar komt met de kleren aan zijn lijf, die niets anders heeft, die niet gewassen is misschien in dagen om niet te zeggen langer. En die vriendelijk kan zijn, maar ook anders kan zijn. Die mensen leren kennen, zonder vragen te stellen, dus moet men daar mee leven om ze te leren kennen. Dat staat niet in boekjes. Je moet dat ervaren en dan maak je ook fouten, zo weinig mogelijk als dat kan. Daarom hebben we ook onze vormingsdagen.
Mensen leren kennen. Leren eerbiedigen, leren beminnen.
Claire, één van de eerste medewerksters (dus 8 jaar Poverello heeft zich daar afgesloofd en doet dat nu nog, van ’s morgens tot ’s avonds), en op een dag heeft iemand in haar gezicht gespuugd. Leren beminnen, wel: daar leer je dat. Daar leer ik enorm veel, iedere dag.
En dan een laatste zin in dat leefregeltje:
Maria, de Moeder van de Poverello.

Lied:
Ikzelf riep u bij uw naam: wees dus ook mijn getuigen.
Waarheid is elk woord van Mij. Ik breng leven. Ik ben de Weg.
Zoals Ik u heb bemind, houdt gij zo van elkander.

Dus hoe is het gekomen van niet gelovig tot radicaal gelovig. Ik weet niet hoe sterk ik geloof, maar ik probeer, enfin, ik krijg het. En ik vraag het ook. Misschien mag ik dat zeggen: ik vraag meerdere keren per dag: Help mij geloven.
Ja, het geloof heb ik wel doorgekregen. Het zaadje is in mijn hart gelegd, of hoe moet ik dat zeggen, door mijn ouders. Mijn ouders waren zeer gelovige mensen.Ik ben een product van West-Vlaanderen. Ik ben geboren in Kortrijk. Ik heb daar gewoond tot in 33 of later.
Wel, mijn ouders hebben mij het geloof doorgegeven. Zij hebben wel het één en ander daarover verteld. Ze hebben mij ook naar een goede school gestuurd enzovoorts. Maar ze waren zelf gelovig en ze hebben mij dat doorgegeven door hun voorbeeld. Het voorbeeld van mijn ouders is voor mij van enorm belang. Hetgeen mijn vader en moeder gezegd hebben, maar vooral geweest zijn, is pas doorgebroken als ik 55 was. Ik heb dan ook beseft, beginnen beseffen pas, wat mijn ouders voor mij geweest zijn. Mensen uit één stuk. Mensen die heel eenvoudig konden bidden. Die dus voor mij het voorbeeld geweest zijn van een gelovig mens. En dat heeft men nodig. Ik ben mijn ouders daar eeuwig dankbaar voor. Zij hebben mij veel meer gegeven dan 5 miljoen of dan schatten die vergaan. Ze hebben mij het geloof gegeven,d.w.z. de schat van de eeuwigheid. Zie dat zo maar.
Dat geloof is nogal verwaterd in de loop van de jaren. En wat ik er zeker aan toe moet voegen. Ik heb een verkeerd gedacht van God meegekregen in de loop van de jaren. God is voor mij een straffende God geweest. Een gevaarlijke God, een God waarvan ik enorme schrik had. Waarmee men in retraites op de spreekstoel stond te kloppen -ik zeg dat zonder wrok- ‘Pas op!’, waar je zo ineen gekrompen zat te luisteren naar een stem die soms nogal kon bulderen over God. ‘Pasop, dat je deze nacht niet sterft in uw slaap! Waar zal je uitkomen: in de hel.’ Ik neem aan dat de hel bestaat. Op welke manier dat is iets anders. Maar dat er ergens een eeuwige straf bestaat, dat geloof ik in elk geval.
En zo ben ik opgegroeid, heb ik mijn studies gedaan in Leuven. Alles wat ik in de school had meegekregen van naar de mis gaan, van iedere week naar de biecht moeten gaan, dat is rap weggevallen. Ik ging naar de biecht als het nodig was, en bij een dove pater. Of bij een pater waarvan men zei dat hij doof was. In feite was hij niet doof. Ik heb dat erna gehoord.
Dus in die mentaliteit ben ik opgegroeid. Ik heb dus vanaf mijn jonge jaren geleerd met een masker rond te lopen en ik heb met dat masker rond gelopen. Jaren lang. Tot ik op een dag dat masker heb mogen afleggen en in Poverello moet ik niet met een masker lopen. En hier ook niet. Ik mag mezelf zijn: en dat is ook wat men zegt, de mensen die naar Poverello komen helpen, of naar het onthaal komen als ze het kunnen verwoorden. Dan zeggen ze mij: ‘wij mogen hier zijn, zoals we zijn. Dat is zeer belangrijk’ Ik heb dus met een masker rondgelopen. Ik ben dus getrouwd ook met zeer weinig bagage.
En ik heb het leven leren kennen zoals iedereen. Ik heb 10 jaar algemene geneeskunde gedaan, 10 jaar huisdokter in de tijd toen men nog veel aan huis deed. Ook bevallingen bijvoorbeeld. Ik heb veel bevallingen aan huis gedaan. Dat was gewoonlijk ’s nachts. ‘Meneer de dokter, kom rap, want het is voor seffens.’ Dat was zo om 10 uur ’s avonds, dat de toekomstige vader kwam bellen. ‘Rap komen, wat het is voor seffens.’ Ik wist wel dat het niet voor seffens was, vooral als het de eerste was. En dan zaten we daar bij elkaar, uren aan een stuk te wachten. Alle drie. Vader moeder en ik in verwachting. Prachtig!
En dan kwam dat en ondertussen hadden wij enkele potjes koffie gedronken samen en wat gebabbeld. Een kindje verwachten, is iets zeer speciaal. En ik denk dat vooral het eerste kindje iets speciaal moet zijn. Wanneer het de vrucht van de liefde is tussen twee mensen, dan is dat iets zeer speciaal. En het is ook een zeer speciale sfeer als je daar zit te wachten op dat kindje. Met toch een klein beetje in uw achterhoofd: ‘Hoe zal het gaan, en wat zal het zijn’.
Ik heb daar veel geluisterd in die nachten, naar mensen wiens hart open ging in die milde sfeer van verwachting naar die schat die zou geboren worden. En in die momenten laat men ook zijn hart spreken en spreekt men over dingen waarover men soms jaren niet heeft durven spreken. Mensen die problemen hadden, waarom niet. Onder mekaar en o.a. op seksueel gebied, waarover men in die tijd niet over sprak. En na tien jaar dacht ik: ‘Ik moet daar meer van weten’ Het is enorm die evolutie die er gebeurd is sinds de jaren vijftig tot nu. Ik dacht: ‘Ik moet daar meer van weten’ Ik heb mijn praktijk overgelaten en ik ben gaan reizen en studeren en zoeken. Ik heb me dan gevestigd in Brussel toen ik dacht dat ik er wat meer over wist. En op mijn plaat ‘seksuologie’ gezet. Dat bestond toen nog niet, maar ik dacht ‘dat bestaat wel’ en ik heb dat daarop gezet. En zo ben ik dan een praktijk begonnen. Ik ging nogal veel spreken en men vroeg mij links en rechts te spreken over seksuele voorlichting en opvoeding. Dat was een vraag die men zich toen veel stelde: mag ik mijn kind seksueel voorlichten. Als mijn kind een vraag stelt, wat moet ik dan antwoorden. Men kende de namen niet, de woorden niet om daarop te antwoorden. Hoe wil je dat men daar iets serieus op zou kunnen antwoorden. En ik weet dat het niet zo simpel is. De rol van de moeder, dat ging nog en de geboorte en dat schone van dat kindje en zo. Maar als het kind zei: ‘en hoe komt dat erin’, stond iedereen perplex. Leg dat maar eens uit aan een kind van vijf jaar. En waar niets achter zit van negatief of slecht. Maar toen dacht men nog: ‘phoe, wat een slecht kind is dat nu.’ En dat kind kreeg een draai rond zijn oren. En dat is nog niet zolang geleden. Een kindje dat in zijn stoeltje zat. (je weet wel welk stoeltje). En zich leerde ontdekken en zijn orgaantjes betastte, kreeg een klets: ‘vuil kind’. Enorm de invloed van dat gebaar op dat kind van enkele maanden oud. En dat kind zou zeker geen vraag meer stellen als het voelde: ik moet daar niet over beginnen. Want ik ga een draai rond mijn oor krijgen. En zo een vragen stelt men niet. Als ik nu zou zeggen: als je een vraag stelt, krijg je een draai rond je oren, niemand zou nog vragen stellen. Dat kind werd gestraft. Ik ben gestraft geweest voor zaken die ik niet wist. Groei dan maar op, ga dan maar op zoek waar het zit. En trouw dan maar. Wat men dan wist, dat moest men lezen in boeken die men niet mocht lezen. En zo zijn er honderdduizenden, ik zou zeggen: miljoenen mensen slecht gestart. En in veel gevallen liep dat dan mank of verkeerd of slecht af. Dat spreekt vanzelf. Als je geen raad durft vragen, of je weet niet waar naartoe, dan loop dat slecht af, daar is niets aan te doen. En de moeilijkste problemen voor mij waren dan niet de mensen die na twee maanden kwamen en zeiden: het gaat niet tussen ons, wij gaan uit elkaar. Dat waren niet de moeilijsten. Want gewoonlijk kwam dat allemaal goed. Als er maar liefde aan de basis was, echtheid. Maar het moeilijkste warende mensen die na 25 jaar kwamen en zeggen: ‘Wij hebben ontdekt dat we al 25 jaar naast elkaar leven, van ’s morgens tot ’s avonds.’ Mensen die mij kwamen vragen: ‘Geef mij een oplossing, hoe moet ik nu gaan leven, wat moet ik nu doen.’ Alle soorten problemen. Zware en minder zware.
Ik ging éénmaal per week in de gevangenis omdat ik aangesteld was als deskundige door het parket, magistraten. Waar ik dan ook allerlei seksuele delicten meemaakte, moest trachten ze op te lossen. Vragen en zoeken naar waarom heeft die man of vrouw dat gedaan. Dus ik zat er tot over mijn oren in. Ik werkte veel. Ik stond ’s morgens vroeg op, mijn rapporten voor het gerecht voor acht uur, van zes tot acht. Om acht uur mijn consultaties. Van acht tot elf uur ’s avonds. Aan de lopende band, zonder eten, d.w.z. dat ik kapot moest en het is kapot gegaan. In ’73 was ik dood. Ik dacht: ‘Ik val hier dood in mijn kabinet.’ En ik heb acht dagen tussen leven en dood gehangen. Dat is zeer erg geweest. Zeer angstwekkend. Ik leefde acht dagen en acht nachten van de ene seconde naar de andere in enorme angsten. Ik dacht niet aan God op dat ogenblik. Ik ging al jaren niet meer naar de kerk en ik bad ook al jaren niet meer. Bidden, ik dacht daar niet aan. Ook in die momenten heb ik niet meer aan God gedacht. Men zou soms kunnen zeggen: ‘Ik ga wat marginaal leven. En op het einde van mijn leven, zal ik mij bekeren.’ Ik heb nu ondervonden, dat dat niet zou gebeurd zijn. Ik dacht niet aan God, ook niet in die momenten. Ik ben erdoor gekropen. Mijn familie heeft mij naar de Ardennen gestuurd, naar mijn buitengoed en ik ben daar herkomen. Dat heeft maanden geduurd. Toen dacht ik van te herbeginnen. Dat ging niet. En toen was ik eigenlijk blij dat ik er van af was. Jaren van ’s morgens tot ’s avonds. Altijd maar problemen. En nu dacht ik: nu ben ik er vanaf.


Mijn bic en mijn uurwerk, symbolen van mijn slavernij heb ik weggesmeten. Ik moest dat niet meer weten. De fiscus zou niet meer bestaan. En al zo’n dingen. LEVEN, gelukkig worden, vrede vinden. Geen sprake van. Ik heb twee jaar geleefd zoals God in Frankrijk. En ik heb nooit vrede gevonden. Ik had alles wat ik nodig had. Alles. Nooit vrede gekend.
En op een dagstond ik op een wei een paard te borstelen want ik fokte paarden en er kwam een boertje langs. Een boertje dat ik goed kende. En die bleef staan praten, want wij hadden alle tijd. En in die conversatie heeft hij iets gezegd dat mij niet aanstond, vooral niet van dat boertje. Hij moest mij de les niet komen spellen.
Hij zei: ‘Een mens doet soms veel moeite voor niets hé!’
Ik dacht: ‘Wat krijgt die nu? Hij ziet in mijn rapen. Hij moet dat niet doen.’
Ik was kwaad op dat boertje. Ik heb het niet gezegd, maar het is blijven hangen. Ik heb het onthouden. Nu weet ik: dat boertje had ferm gelijk. Enorm veel energie in gestoken. In wat? In wat? Ik heb het daarna in het evangelie gelezen: in motten, roest en wormen!
Ja…
Een tijd erna krijg ik bezoek van een man die ik nog nooit had gezien. Dat was een priester.Ik wist dat niet. Hij zei: ‘Ik ben priester. Ik ben pastoor in drie, vier dorpen verder daar.’ En hij kwam met een paar problemen die hij had. Hij wist dat ik daar vroeger mee bezig was geweest en in zijn parochie waren er een paar mensen die problemen hadden. Die man is een paar uur bij mij geweest. Hij heeft over God niet gesproken, over Jezus niet, over kerk niet. En de zondag erop zat ik in zijn kerk.
Dat was twaalf jaar geleden denk ik. Niet in de kerk van een andere pastoor. In ZIJN kerkje. Omdat dat een echte was. Een echte. Die man, die leefde zoals hij sprak en hij sprak zoals hij leefde. En ik voelde dat. Ik had daar bewondering voor. Dat was voor mij een stuk evangelie. En het was al jaren dat ik niet aan het evangelie gedacht had. En terwijl hij met mij sprak, dacht ik aan het evangelie. Dat was een straffe hé?
Toen hij weg was, dacht ik: ‘Zondag ga ik naar zijn kerk. Want ik moet dat weten. Wat weten? Waar haalt die man die kracht om zo te leven?’ Zo leven, d.w.z.voor iedereen open staan, alles weggeven, zijn geld weggeven, leven voor de ander. ‘Hoe kan die dat volhouden,’ dacht ik. Ik bewonderde dat. Ik moest dat weten. En ik ben naar zijn kerkje gegaan, de zondag erop. Zoals ‘een meneer’ zo een beetje. Met een chique auto. Ik heb niets tegen chique auto’s, denk dat nu niet. Ik misprijs niets. Ik denk dat wij het recht niet hebben, ook als wij anders leven, of willen leven, of een ander gedacht hebben. De ander moet je niet oordelen of veroordelen.
Ik ben daar gekomen, ben daar binnen gegaan in een klein kerkje. Ik ben me daar gaan neerzetten. Met veel nieuwsgierigheid. Enkele mensen. En de pastoor zat daar of stond daar aan dat altaartje. En het eerste gebed heeft mij getroffen. Ik had dat gebed misschien duizend keer gehoord, vroeger op school als ik alle dagen om 6.30 u. naar de mis moest gaan. En waar ik dan eenvoudig zat te zitten, te wachten tot het tijd was, om geen straf te krijgen. Dat was niet echt hé?
En dat gebed kwam uit zijn mond. D.w.z. ik begon in die man te geloven. Die kon precies niet liegen. En dat gebed heeft mij getroffen en ik heb geluisterd. En na het evangelie zegt hij: ‘Nu ga ik u wat spreken over het lijden.’ Ik dacht: ‘Het lijden, wat weet dat pastoreke daarvan? Over het lijden. Een pastoreke van een boerendorpje. Ikke, jarenlang niets dan lijden gezien onder alle mogelijke vormen. En die pastoor gaat mij hier wat spreken over het lijden?’ Hij heeft mij nog meer nieuwsgierig gemaakt en ik zette mijn twee oren open.
En toen zei hij: ‘Ik ga daar niet veel over vertellen, maar ik ga u de zin van het lijden laten zien.’
En toen heeft hij een klein kruisbeeldje genomen. Hij heeft dat zo heel traag laten zien. ‘Dat is de zin van het lijden!’ Ik had in mijn leven honderden kruisbeelden gezien. Thuis, in de school, op alle plaatsen was er een kruisbeeld. Ik geloof dat het het eerste kruisbeeld was dat ik echt heb bezien. En ik heb daar een klop van gekregen dat ik kapot zat.
Jezus heeft alles voor mij gedaan. ALLES!. Ik heb dat ineens zeer scherp gerealiseerd. En gij hebt voor Hem niets gedaan. En daar zat ik plat van, beschaamd…
Jezus heeft voor ons alles gedaan. En niet zomaar voor ons. Maar voor ieder van ons persoonlijk heeft hij dat gedaan. Of je nu Heidi noemt, of Els of An ofJan,…

Lied:
Heilig gelaat van Jezus
Heilig lichaam van mijn God.
Heilig aanschijn van de Liefde.
Heilig gelaat van Jezus.


Jezus is voor ieder van ons persoonlijk op aarde gekomen om ons te komen zeggen hoe we moeten gaan leven. Dat is zijn blijde boodschap, daar staat alles in. Hoe ik moet leven, je moet maar dat boekje open doen en beginnen lezen. ‘De knecht is niet beter dan de meester’ En je weet het al. ‘Je bouwt toch geen huis op zand.’ ‘Met de maat waarmee je meet, zal je gemeten worden’ ‘De splinter en de balk’ Ik zie alle dagen balken in Poverello. In de ogen van de ander. Mijn balk zie ik als ik eraan denk: ‘Oei, oei, hoe leef ik nu?’
‘De wijnstoken de ranken.’ Ik ben het rankje. Hij is de wijnstok. Wij mogen daarop leven, op Jezus. Alle kracht van Hem, van nergens anders komt de kracht. Wat je ook tegen komt, Hij is altijd daar. Een God van liefde is altijd daar. Alles staat erin, in Jezus’ evangelie. Die schat, die parel waarvoor je alles kunt gaan verkopen. Wanneer je die parel hebt ontdekt, dan bestaat de rest nog wel allemaal. Het bestaat technisch: goed en mooi en al wat je wil. Ik heb daar jaren voor geleefd, voor paarden heb ik geleefd. Ik deed daar honderden kilometers voor om een paard te kunnen gaan bekijken. Ik zie er nu staan op de wei als ik met de wagen voorbij. Ik kijk altijd eens rond. Of het nu een krom of een goed is, ik zie altijd naar een paard. Ik zie dat graag, een paard. Maar ik kan er niet meer voor leven. Omdat ik andere waarden heb ontdekt. Alles is nu al gerelativeerd. Ik heb vroeger geleefd voor een fles wijn. Van ’47. Een Petrus of zoiets. Of dat nu een St Emillon is of een ander goed… maar het moest dàt zijn. Een andere fles zou ik niet gekocht hebben. Dat past toch niet in mijn wijnkelder, een andere fles. Dat is zeer goed. Maar kan je nu leven voor een fles wijn? Of kan je nu leven voor gelijk wat. Ik zeg nu een fles wijn, dat interesseert je nu misschien niet sterk. Misschien binnen twintig of 25 jaar wel. Of iets anders. Iets waar je voor leeft.
Ik zat daar kapot van. Jezus had zich laten vermoorden en kruisigen voor mij. En ik… onnozelaar, had daar zelfs niet aan gedacht. Dat God mij was komen zeggen hoe ik moest gaan leven. En dat Hij dat zo sterk had willen tonen, dat Hij zelfs aan het kruis was genageld. Daar moet je toch een kieken voor zijn om dat niet te zien. Ik heb dus geleefd als een kieken. Ik heb niets meer gehoord van de mis. Ik zat kapot te wenen. Ik zat daar als een kind te schreien. En toen ben ik na de mis naar de sacristie gegaan. En ik stond daar: grote meneer gelijk een kind. En die pastoor heeft mij gezegd: ‘Ik heb het gezien, je hebt de Heer ontmoet. Hij stond u al lang op te wachten, zoals Hij iedereen staat op te wachten.’ Dat heeft hij gezegd. ‘Maar je hebt Hem nooit willen bezien en nu heb je Hem eens goed kunnen bezien. Hij zal u nooit meer loslaten!’ Ik verstond er niets van. Ik stond nog niet aan de eerste letter van het ABC. Ik weet nog niet veel, maar als ik zie wat ik dan wist daarover: dat was een dikke nul.
Hij heeft mij een boek gegeven. Dat boek had ik zeker niet gelezen, een uur daarvoor. Want zo een dingen las ik niet: het ging over spiritualiteit. Allee, je ziet dat van hier. Hadden ze me gezegd: ‘Er staat ginder een paard en si en la,…’ Ik zou vroett in de wagen en daar naar toe. Maar een boek over spiritualiteit, wie leest dat nu. Ik heb zoveel in mijn leven moeten lezen. En ik heb er genoeg van.
Maar het ging over een uitzonderlijke figuur: Charles De Foucauld. Je kent hem misschien. En als je hem niet kent: leer hem kennen. Charles De Foucauld, dat was weer een echte. Een echte. Een stuk evangelie. Je kent zijn leven. Als je het niet kent, lees het maar eens. Een steenrijke vent die tenslotte vermoord is geworden, alleen gestorven en vermoord in hetmidden van de oneindige Sahara daar. Omdat hij Jezus had willen brengen waar Hij nog nooit was geweest. Charles De Foucauld in twee woorden.
Bij zijn bekering heeft hij gezegd: ‘Voor de uitbreiding van de blijde boodschap, wil ik leven tot de laatste dag, wil ik gaan tot het uiterste puntje van de aarde. Als ze het mij vragen, dan zeg ik aanstonds ja.’ Hij heeft het gedaan.
Die man heeft mij enorm geboeid.
Ik heb dan leren bidden.

Letterlijke transcriptie van de uitgesproken tekst.
Jan Vermeireis overleden in 1998
© Maria-Kefasgemeenschap,1998

↓