Citaten uit brieven Jan Vermeire

Citaten uit de brieven van Jan Vermeire

Samengebracht door medewerkers

tijdens het weekend te BEAURAING 9-11 NOV.2007

Daarom ook laat ik alles vallen, al wat de wormen, de motten en de roest vernielen. (dec. 1979)

———————-

Zo zal Poverello een trefpunt worden waar het echte geluk zal uitstralen, want het zal de Heer zelf zijn die ons

zal voeden met het vuur van zijn liefde. (maart 1980)

———————-

De menselijk liefde kan u helpen om veel beproevingen te boven te komen: een uitgestoken hand op moeilijke

momenten, een blik of een woord, doen dikwijls veel meer dan antibiotica of baxters.

Maar er is een ander middel, meer afdoend, dat slaagt wanneer alles lijkt ineen te storten, zelfs de liefde

van een man of een vrouw: dat is het gebed……….. En de Vader laat een kind, dat zich aan Hem overgeeft, nooit in

de steek.

……Weet dan dat broers en zussen bidden voor de meest verlatenen en dat de Vader de armen uitstrekt naar

allen die zich tot Hem keren. (mei 1981)

———————-

Zonder Gods barmhartigheid was ik letterlijk in het dodenrijk terechtgekomen: daar waar alleen nog lijden,

opstandigheid en wanhoop heersen. (april 1982)

———————-

2 De genade van de bekering lost nochtans alle problemen niet op: ieder moment van het leven brengt

zorgen, ontgoochelingen en zwakheden voort. Dus weet ik dat ik mij voortdurend naar God moet keren en bewust

blijven van mijn onmacht: als ik die afhankelijkheid met liefde en vertrouwen aanvaard, zal ik in eeuwigheid leven.

Jezus zelf is ons die boodschap komen brengen. De vraag is echter: hoe ga ik die Blijde Boodschap voor mijzelf

waarmaken? Het antwoord wordt door Jezus zelf gegeven God beminnen bovenal en mijn medemensen zoals mijzelf.

(april 1982)

———————-

velen onder ons hebben geen dak, we zoeken alleen een thuis… maar Poverello is ons ‘huis’. (jan. 1983)

———————-

Het is feest in ons hart! ……..Gedurende jaren heb ik deze vreugde niet kunnen ervaren, ik heb onverschillig

geleefd aan iedere goddelijke genade; nu heeft het geloof mij hoop, geluk en vrede weer gegeven (april 1983)

———————-

Laat ons niet vergeten dat de echte vrede is, in eenheid met Christus leven, en het echte geluk zich te

geven voor anderen. (april 1983)

———————-

3 Wat een genade! Jezus mogen dienen is inderdaad het toppunt van geluk, het hoogtepunt van een leven. (aug.1983)

———————-

De dag waarop Ik de Heer heb ontmoet, die grote Vriend, die mij met zoveel geduld stond op te wachten

(zoals Hij leder van ons opwacht), wist Ik dat Hij me nooit meer zou verlaten, spijts mijn ondankbaarheid, spijts mijn

zwakheid. Iedere dag, van langs om meer, ben ik overtuigd van mijn onmacht, van mijn onbekwaamheid om te leven…

zonder Hem. Wat zou Ik doen, wat zouden wij doen, indien de Meester van het onmogelijke niet bij ons zou staan,

voortdurend, ons vrij latend om zich van Hem te verwijderen, maar altijd over ons wakend? Hij laat ons wel, soms met veel

pijn, aanvoelen dat we maar snotneuzen zijn, opgeblazen kikkers of dwazen. Jezus leren kennen, wat een geluk, wat

een vrede! Iedere dag krijg ik lessen van de ‘kleinen’, die ‘armen’. Iedere dag herinneren zij mij eraan dat ik even klein

en arm ben. Iedere dag doen ze mij beter begrijpen hoe weinig edelmoedig ik ben, hoe lauw, hoe harteloos. Zij leren

mij hoe Ik me moet bevrijden van zoveel dingen vooraleer ik ze kan liefhebben. Nu weet ik dat het weinige dat ik in

het verleden aan de armen gegeven heb (meestal vergat ik het te geven), alleen een kleine symbolische geste was die

4 mijn geweten wat meer suste. Delen, dat is iets heel anders. Het is misschien iets materieels geven, als het werkelijk

uit het hart komt, maar het is vooral zichzelf geven, zijn talenten (die we gratis ontvingen) ten dienste stellen van de

anderen. Dat is de sleutel van het geluk, die men kan vinden in de blijde Boodschap. (aug. 1983)

———————-

Dikwijls ben ik ontroerd door een handdruk, een blik, een woordje: “Iedere avond bid ik op mijn knieën voor

Poverello.” Dat weten wij, dat voelen wij: zonder dat zou Poverello allang niet meer bestaan.

Veel oudere mensen, onder andere veel bejaarde religieuzen, die zich na een zeer actief leven wat nutteloos

vonden, weten nu terug waarvoor ze leven. Bejaarden, maar ook zieken, gehandicapten, ook veel jonge mensen, hebben

terug een motivatie gevonden om te ‘leven’. (maart 1984)

———————-

Zonder Hem, dat weet ik nu, kan ik niets. Alleen kwaad doen en voor mezelf leven, mezelf overschatten. Met

Hem word ik vriendelijk, begrijpend, eenvoudig. Zonder Hem is het dood, mijn wereldje wordt een berg problemen,

één grote angst. Met Hem word ik rustig, zal ik niemand misprijzen of uitkafferen als ik vind dat het nu al welletjes is.

5 Hoe heb ik Hem zoveel jaren kunnen voorbijlopen zonder Hem te willen herkennen in al de mensen die ik

ontmoet heb. (sept. 1984)

———————-

De kleine bidplaats is een oase van vrede. (maart 1985)

———————-

De evangelische motivatie die ze hebben kunnen ontdekken ‘op de werf’. Het evangelie beleven is de enige

weg naar vrede en geluk. (maart 1985)

———————-

Jezus is verrezen! Nu, voor mij in ieder geval, de zin van mijn leven. Alles wordt teruggebracht naar, alles

krijgt een uitleg door, alles concen treert zich op Jezus en Zijn verrijzenis: zonder de verrezen Jezus zou ik niet meer

leven. (maart 1986)

———————-

Het is Jezus die mij gered heeft. De lijdende dienaar, op een kruis gestorven, mij getoond door een

priester waarvan ik de echtheid aanvoelde, heeft mij op mijn knieën gezet: het paasmysterie werd mij op zo’n eenvoudige,

maar ook zo’n aangrijpende manier geopenbaard dat ik op dat ogenblik mijn kleinheid heel intens heb aangevoeld.

Sedertdien heb ik niet geleefd zoals Jezus het van

6 mij verwachtte. Ik ben dikwijls weerbarstig geweest, laf, soms heb ik naar mijn verleden willen teruggrijpen; zelfs in

mijn goede momenten heb ik aan Zijn roep niet beantwoord.

Ieder ogenblik moet ik mij hernemen, mij vermanen, mij bekeren. (maart 1986)

———————-

Nu weet ik dat Hij ook voor mij gekomen is: ik ga niet meer sterven; ik ga deze wereld verlaten om eeuwig te

leven met God zelf en al mijn broeders. Wat er mij ook nog zou kunnen overkomen, ik zal een eeuwig geluk beleven.

Jezus is verrezen! Bron van liefde zonder grenzen. Zonder Hem is mijn hart versteend, mijn engagement

kleinzielig, heeft mijn leven geen enkele zin. Wanneer Hij mij bezielt, kan ik delen, ben ik enthousiast. kan ik liefhebben.

In Poverello heb ik geleerd dat ik, zonder Jezus, een dorre twijg ben; met Hem, door Hem, in Hem zal ik vruchten

dragen. (maart 1986)

———————-

De laatste tijd is het bidden van de paternoster ook voor mij een grote steun geworden: het is het gebed

van de arme, die het niet meer aankan, maar die, spijts alles, blijft hopen en die zeker is verhoord te worden. De

vrede van het hart, die meer waard is dan al de rijkdom van de wereld, kan ons alleen van uit de hemel komen. Zalig

7 degenen die erin geloven en die volhouden! Ik wens het jullie, van ganser harte. (juni 1986)

———————-

De Heer is niet onzichtbaar, Hij leeft en vertoont zich in onze broeders; Hij heeft honger en dorst zoals zij,

Hij weent zoals zij, Hij is eenzaam en ziek zoals zij, zoals wij allen. (maart 1988)

———————-

Maar de Heer heeft mij gered, Hij heeft mij zijn barmhartigheid aangeboden en ik heb mij aan Hem kunnen

toevertrouwen. Hij wachtte op dit gebaar om mij van m’n angsten te verlossen: het is een definitief keerpunt in m’n

leven geworden. Zolang dat ik deze weg kies, kan er mij niets meer overkomen: ongeluk en lijden zullen niet meer

dezelfde greep kunnen hebben. Het Kruis betekent niet het einde, het is de weg

die uitmondt op de Verrijzenis, op het Leven. Anderen van m’n naaste vrienden hebben mij dit bewezen: zij zijn de

getuigen die mij leiden. (maart 1989)

———————-

Nooit zal ik die man vergeten van zeker meer dan 80 jaar, voortgeduwd in een ziekenwagentje en de ene Ave

Maria na de andere zingend, met een bijzonder enthousiasme en kracht.

8 ‘s Avonds in mijn kamer, heb ik voor hem gebeden, om hem te danken en hem aan te bevelen bij de Maagd der

armen. Enkele weken later vernam ik dat hij overleden was. Wie spreekt er nog over hem ? En nochtans is hij voor mij

een getuige, een vriend die, zonder het te weten, mij beter de zin van de waarden, de zin van het leven, de zin en de

kracht van het gebed heeft doen begrijpen. (juni 1989)

———————-

Het gebed ? Onontbeerlijk. Zonder gebed, geen moed, geen uithoudingsvermogen, geen kracht, geen vreugde,

geen vrede, geen liefde. Dat is mijn voedsel. Indien ik niet meer bid verga ik.

Mijn gebed ? Het gebed van de arme lieden. Ik kan niet lang bidden, ik kan geen mooie zinnen opbouwen; ik ben

meer voor eenvoud, voor hetgeen echt is, voor hetgeen uit het hart komt. Als ik voor God kniel kan ik niet meer liegen,

verstoppertje spelen; ik weet dat Hij mijn zwakheid kent. Hij is zo goed dat Hij al mijn gebreken aanvaardt, zolang ik

mij in zijn handen vertrouw. Wat een geluk !

Vele jaren heb ik nochtans alles op materiële rijkdom en een vluchtig geluk gebouwd.

Te Banneux heeft de Maagd der armen gevraagd :“Bid veel” en Jezus zelf heeft het voorbeeld gegeven: Hij

trok zich dikwijls terug om alleen te bidden, om met de

9 Vader te spreken en gans zijn leven is gebed geweest. Hoe zou het mogelijk zijn dat ik er zou aan voorbijgaan.

Bid voor mij, ik bid voor u. (juni 1989)

———————-

Want Poverello is een levensschool: de echte waarden zijn er je enige gids en men kan ze alleen ontdekken door

zijn hart open te zetten. (dec. 1988)

———————-

Het zijn niet noodzakelijk de ‘groten’, de ‘aanzienlijken’ die u de dagelijkse dosis moed en optimisme

verschaffen, het is niet de mooiprater die u evangeliseert, maar misschien de ‘geringste’… (dec. 1988)

———————-

Een nieuw huis van de vriendschap, een trefpunt voor degenen die trachten te delen, voor sommigen misschien

een reddingsboei. Een huis waar al degenen die er binnen treden, zonder onderscheid, een verantwoordelijkheid

opnemen: Poverello is noch een paternalistische instelling, noch een plaats waar men zo maar zijn zeven goestingen

doet; er is ook geen hiërarchie, iedereen is er gelijk en moet er zich goed kunnen voelen.

In Poverello is iedereen dan ook welkom die het huis en degenen die er wonen of komen, respecteert: vrijheid van

opinie, van godsdienst, wat niet tegenstrijdig is met onze

10 persoonlijke overtuiging dat de Heer bestuurt, leidt en in al onze noden voorziet. De geest van delen, vergeven en gebed

is de enige manier om vol te houden en door te zetten. Het is in deze geest, en alleen in deze, dat ik Poverello (…) zie

leven en groeien. (sept. 1989)

———————-

Gelukkig zij die zich op dat moment kunnen vastklampen aan waarden, die misschien lang bedolven liggen: een goed

woord, een gezicht gehavend door de miserie, het verlies van een vriend, een onverwachte gebeurtenis, een herinnering

uit de kinderjaren, dat alles kan de harde korst van ons hart doorboren en ons terug met de voeten op de grond zetten.

Die het wil begrijpen en ja durft zeggen, heeft eindelijk de goede weg gevonden: de weg van de liefde, van het delen,

van de vergeving, van het gebed, van de eigen armoede.

Helaas! Het eerste enthousiasme, het gevoel van eindelijk bevrijd te zijn, zijn soms vlug over: men moet

zich werkelijk vastklampen om niet opnieuw vaste voet te verliezen. Er is slechts één Redder, één Geneesheer, het is

de Levende Christus. Sinds ik door het zien van een klein kruisbeeld een redplank gevonden heb, mag ik Hem niet meer

loslaten of ik ben verloren. Twijfel, ontmoediging, zoveel listige bekoringen kunnen al es doen tuimelen. Dan vooral

komt het erop aan zich helemaal aan Hem over te laten.

11 Soms heb ik de indruk dat ik het zelf ben die moeite doe, maar ik moet weldra en nederig bekennen dat het

altijd de Goede Herder is die op zoek gaat naar een verloren schaapje: een beetje goede wil, en vooral vertrouwen zijn de

enige dingen waartoe ik misschien in staat ben, en dan nog moet ik er ieder ogenblik de kracht toe vragen. (dec. 1989)

———————-

Het kind leert mij zwijgen, niet alles te zeggen wat ‘ik’ denk, te luisteren naar het leed van anderen, te delen,

te geven, mezelf te geven.

Het kind leert mij leven, het openbaart mij de goedheid van God, de Schepper van alle dingen, van al de

wonderen van het heelal: de bloemen… het eenvoudigste is er reeds een voorbeeld van, het meesje, kwik en vriendelijk…..

(maart 1990)

———————-

Wat doe ik dan in dit alles?…….. Ik kan alleen bekennen dat ik niet zoveel doe, dat ik niet of weinig beantwoord aan de

oproep, dat ik me dikwijls schaam over Jezus’ vriendschap, dat ik niet genoeg durf getuigen van Zijn liefde, dat ik

vergeet uit welke warboel Hij mij verlost heeft, dat mijn geloof nog klein is, dat mijn hart zich voortdurend sluit.

Maar dat alles is niet onherstelbaar, vanaf het ogenblik dat ik me bewust word van mijn onmacht, mijn

12 armoede. Het is trouwens alleen op die manier dat ik niet in de wanhoop verzink.

Wanneer ik deze gedachten heb kunnen uitdrukken dan is het omdat gisteren zwaar beproefde ouders mij

zijn komen spreken over hun kind, dat zij verloren hebben, veron gelukt. Tegenover hun lijden voelde ik me zeer klein.

Ik heb geluisterd, ik ben een hele tijd sprakeloos gebleven, mijn hart heeft met hen geweend. Mijn wetenschap kon me

niet helpen, alleen de Geest kon me verlichten en mij de woorden geven. Gedurende het verhaal van de snikkende

moeder en het stilzwijgen van de beproefde vader, heb ik gebeden: “Heer, ik weet niet wat zeggen”.

‘s Avonds heeft de moeder me opgebeld: “Wij hebben de Heer bedankt voor deze dag… wij hebben

de kracht gekregen om voort te leven”. Toen heb ik het begrepen. Terwijl we in de spreekkamer waren en ik naar

hun leed luisterde, waren er, in de grote zaal van de eerste verdieping, tweehonderd mensen in gebed verenigd, in

aanbidding voor de Heer. (juni 1990)

———————-

Die dag zijn het kinderen geweest die mij geholpen hebbenanderewaardenteontdekken.Ikwasblijvenstilstaan

voor een klein ardeens kerkje; ik was er ook binnengegaan zoals ik het gewoonlijk deed sinds de gekruisigde Jezus

13 mij had aangesproken. Ieder keer dat ik trachtte Hem te ontmoeten, wees Hij mij de weg. (juni 1991)

———————-

Volharden in het geloof is niet zo vanzelfsprekend, spontaan of gemakkelijk: men moet het vragen, bidden en

de dorre perioden en de momenten waar alles schijnt ineen te stuiken, aanvaarden. (sept. 1991)

———————-

Onze liefde voor God is pure zinsbegoocheling, indien wij ze niet uitdrukken in dienst van de mensen. “Inderdaad,

degene die zijn broeder, die hij ziet, niet bemint, kan God die hij niet ziet, niet beminnen.” (1Joh IV, 20) (juni 1992)

———————-

Essentieel is bewust te zijn van zijn zwakheid en broosheid, zich te laten leiden, de signalen te herkennen,

zijn inzichten niet te willen opleggen aan de Meester van het heelal; Hem danken voor alle omstandigheden, gelukkige

of pijnlijke, die de te volgen weg aanduiden, wat niet zonder een zeker afstand doen gepaard gaat: dit geleidelijk

verzaken is bron van geluk en brengt je onweerstaanbaar dichter bij het absolute Geluk.

Gans deze evolutie verloopt nochtans niet zonder kleerscheuren of moeite. In het lijden heb ik de Heer

ontmoet en daar ook vind ik Hem op een meer intense

14 manier terug. Zijn lijden geneest het mijne, zijn kruis leidt mij doorheen alle hinderlagen en bevrijdt mij van het

Kwaad. Het kruisbeeldje dat mijn moeder graag tussen haar vingers hield, omhels ik iedere avond; ik druk het dan op

mijn hart, overwegend dat het bloed van de Zoon van God mij gered heeft: ik ben één van de vele melaatsen die Hij

gezuiverd heeft, Hij die vooral de zondaars, de verloren schaapjes, de onaanzienlijke liefhad. (dec. 1992)

———————-

Zo kwam het dat ik enkele dagen na mijn genadeslag besliste te biechten, mijn leven aan een priester te

vertellen. Opeens dacht ik aan een gesprek dat ik gehad had met mijn kapper, 20 jaar vroeger. Terwijl hij mij de nek

scheerde (ik herinner mij zelfs nog dit detail), fluisterde j mij bijna in het oor: “Indien ge ooit problemen mocht

hebben en een goede biechtvader zoekt, ik ken een goed adres. Ga maar gerust naar P.Albert.” En hij gaf mij de

nodige aanwijzingen.

Ik was er een beetje door uit mijn lood geslagen, maar vooral geërgerd. Moest die kapper zich nu met mijn

zaken bemoeien. Vooral daar de biecht mij sinds lang niet meer interesseerde; de ongelukkige ervaringen op dat

gebied hadden mij zozeer afgekoeld dat ik besloten had nooit meer te herbeginnen.

15 Maar ja, mijn leven had een gans andere wending genomen en ik hunkerde werkelijk naar het ogenblik dat ik

mij klein zou kunnen voelen in de handen van de barmhartige en liefdevolle Vader. En ik vertrok naar het adres dat ik

20 jaar geleden gekregen had. De pater zat in zijn biechtstoel en wanneer ik hem verteld had dat mijn

verhaal wel een uur zou kunnen duren leidde hij mij naar een spreekkamer en daar kreeg ik al de tijd om de historie

van zoveel jaren religieuze en morele onverschil igheid te vertel en. Het besluit van mijn biechtvader was bevrijdend:

“Ik geef je de absolutie en daarna draai je dat blad maar om en begin je een nieuw, maar vooral denk nooit meer aan het

verleden.” Een grote vrede en een groot geluk over weldigde mij; ik verliet de kerk en bevond mij terug in de menigte

van de grote laan met zijn luxueuze etalages. Maar hetgeen mij altijd had aangetrokken scheen mij nu arm en leeg; het

was alsof ik zweefde. Ik had wel iedereen kunnen omhelzen, al degenen die ik kruiste en waarvan ik de verscheurdheid

en de problemen kon raden. Ik had hen wil en zeggen: “gij die troost en bevrijding zoekt, gij die verstikt en zwoegt,

wanhoopt niet, luister naar mij die in een diepe afgrond zat…

Er is maar één persoon die u kan helpen, die u kan genezen, en dat is Jezus, de verrezen Christus. Gaat naar Hem, opent uw

gekwetst hart voor Hem. Hij is zo goed, zo oneindig goed!”

16 Beste Poverellovrienden, ik heb u in alle eenvoud deze confidenties meegedeeld; sommigen kunnen het naïef vinden,

anderen kunnen er misschien om lachen. Na al wat ik dag na dag van mijn Redder krijg zou dat mij niet kunnen raken.

Maar, indien iemand van u terug moed heeft gekregen, uit zijn depressie of zijn onverschilligheid zou kunnen raken,

dan zou ik er zeer blij om zijn. Ik zou misschien een beetje gaan lijken op mijn vriend Jozef die, op een dag in Poverello,

mij een onfris prentje van de heilige Teresia van Lisieux heeft geschonken… en die mij geholpen heeft. (sept. 1993)

———————-

“Het ergste zou wel zijn dat wij aan de wreedheden die we hier beleven zouden gewoon worden.” Deze zin,

genomen uit een interview met een verantwoordelijke van de humanitaire actie in Rwanda, heeft zeker veel kijkers

geïnterpelleerd. Indien ik ze onthouden heb, moet het wel zijn dat zij in mijn geheugen gegrift staat en mij ook sterk

heeft getroffen.

Verschrikkingen allerhande, allerlei misdaden, men toont ze ons iedere dag; geen adjectief is er nog uitgevonden

om er de wreedheid van te beschrijven. Sommige situaties gaan iedere verbeelding te boven en nochtans worden al

deze misdaden door mensenhanden bedreven.

Twee taferelen, tussen al de anderen, hebben mij

17 buitengewoon bewogen. Het eerste, een kind van ongeveer 7 à 8 jaar, verloren midden in de mensenmassa die zich in

het stof verplaatste. Het kind bleef ter plaatste staan en stak de hand uit. De ogen verstard, was het op het punt

ineen te stuiken. Zoals vele anderen had het nog enkele seconden te leven. Het zal vergaan, vertrapt.

Een weinig verder lag een jongen van een twintigtal jaar te sterven; zijn aangezicht was uitgemergeld. Ik had

de indruk dat hij mij strak bekeek om zijn lijden en angst te delen. De stervensboodschap die hij mij doorstuurde heb ik

menen te begrijpen: “Verlaat ook jij mij?”, Het beeld gleed al over naar andere wreedheden, maar

de blik van de jonge stervende bleef bij mij sterk aanwezig. “Weldra zal men mij in een grote gemeen schappelijke put

werpen, een beetje kalk als er nog is, en men zal alles dichtgooien met de bulldozer. Ik zal deze verschrikkelijke

pijnen, die niemand is komen verlichten, niet meer voelen…

Kan je je één ogenblik voorstellen dat je hier op mijn plaats zou liggen, jij die spreekt over ongerechtigheid wanneer je

loon niet aangepast is of je niet meer naar een restaurant of naar de voetbal kan gaan. Ik, ik heb niets meer te ver-

liezen, maar ik heb angst, en ik voel mij zo alleen.” Sedertdien, denk ik iedere dag aan degene die mij,

zonder mij te willen oordelen, met zijn smekende blik heeft

18 aangekeken, de mond reeds half open, de tanden uitgedroogd. Ik heb voor hem gebeden op het ogenblik dat ik hem zag

sterven, ik bid voor hem en voor de honderdduizenden anderen. Ik zal hem blijvend dankbaar zijn voor de enorme levensles die

hij mij gegeven heeft: onontbeerlijke lessen om te trachten op de kronkelige en stijgende weg te blijven. (sept. 1994)

———————-

Het is mijn moeder die mij voor het eerst over de Moeder van Jezus heeft gesproken: ze nam mij op haar

knieën en vertelde mij de wonderbare geschiedenis van kerstdag. Tezelfdertijd leerde ze mij het ave-maria aan.

Zeventig jaren zijn sedertdien verlopen, maar ik hoor haar nog altijd spreken over de kribbe, Maria en Jozef,

de herders en de klokken, alsof het vandaag was. Tussen Kerstdag en het feest van Driekoningen nam ze mij bij

de hand en deed mij al de kerken waar er een kribbe was,

bezoeken. Welk moment van warmte en tederheid! Zij deed mij de armoede van de heilige Familie en van haar vrienden,

herders en andere kleine lieden, ontdekken, maar vooral de warmte van het onthaal en de vrede van het hart. Door

mij die kleine Jezus beter te leren kennen, heeft ze mijn stappen naar de Liefde geleid.

Hoeveel jaren zijn er niet nodig geweest, hoeveel gebeurtenissen hebben mij niet dooreen geschud om

19 mij deze essentiële dingen te doen begrijpen. Wat een buitengewoon erge leemte in de huidige opvoeding! Op

onze dagen durft men er niet meer over spreken, of heeft men alles vergeten: een gesofistikeerd speeltuig vervangt

de mooiste gevoelens. (sept. 1994)

———————-

Laat ons blij zijn met deze bewustwording, want het is de weg naar echt en enig Geluk. Laten wij elkaar helpen

en liefhebben in deze dikwijls moeilijke opgang. Met dat voor ogen is geen enkele geste, geen enkele inspanning

nutteloos en laat ons deze zin, die de sleutel is van het eeuwig geluk, niet vergeten: “Al wat ge aan de minsten van

de mijnen gedaan hebt, het is aan Mij dat gij het gedaan hebt.” Wanneer de Koning ons zal komen oordelen…

De kleinste, dat ben jij, dat ben ik. (maart 1995)

———————-

Eén van deze genademomenten was voor mij de voor- middag die ik heb mogen doorbrengen in een psychiatrische

inrichting en waar ik mijn hoop heb mogen delen met een honderdtal mensen, kinderen en volwassenen. Uit ervaring

wist ik dat men bij de meeste van deze inwonenden nog weinig levensvreugde vindt; daarom had ik speciaal gebeden dat de

Heilige Geest mij zou willen verlichten en door mijn mond spreken, want een ongelukkig woord kan som verschrikkelijk

20 kwetsen. (juni 1995)

———————-

In feite is het leven in Poverello een aaneenschakeling van kleine gebeurtenissen die, voor de ogen van de wereld,

maar weinig betekenis hebben, maar die ons helpen de moeilijkste ogenblikken te boven te komen. Velen onder ons

hebben harde beproevingen doorstaan en nochtans is er meer hoop en optimisme bij ons dan op veel andere plaatsen.

(juni 1995)

———————-

Ons Poverellokrantje moet een teken van hoop, vertrouwen en vreugde zijn en ik hoop dat het nog lang zo

mag blijven. Wij allen die beweren en geloven de waarheid te bezitten, wij moeten blijven tegenstroom oproeien. De

heilige Franciscus van Assisi, één van de grootste hervormers van de maatschappij en van de Kerk, heeft nooit geweld of

revolutie gepredikt: hij leefde en bad voor eenheid, vrede, liefde. Zijn invloed is aanzienlijk geweest en is het nog

altijd; integendeel zijn oorlogsmensen, schandaalmensen, beoefenaars van kortzichtige politiek, al lang vergeten.

(maart 1996)

———————-

Daarom ook zoek ik mijn kracht bij de echte getuigen van waarheid en goedheid, bij hen die ons met goede

21 gevoelens voeden, bij hen die ons hart voor iedere nood openen, bij hen die echte vrede brengen. Moesten er meer

zulke mensen zijn, en moesten zij meer gehoor krijgen, dan zou er veel stress verdwijnen en zou men veel minder

medicatie moeten nemen. (maart 1996)

———————-

De onveiligheid heeft zulke afmetingen aangenomen dat, zo we niet al onze krachten samenbundelen om die

verschrikkelijke plaag uit te roeien, gans het land in de anarchie zal vervallen.

Onze regeerders moeten met de grootste vastberadenheid hun verantwoordelijkheid opnemen.

Alle middelen moeten op gang gebracht worden om terug vertrouwen te krijgen; want dat is toch onontbeerlijk om in

vrede te kunnen leven. Het geld om het te verwezenlijken is er; men hoeft alleen maar de misbruiken en de omkoperij

te ontmaskeren. Maar daarvoor is enorm veel moed en volharding nodig. Ik twijfel er niet aan dat er genoeg mannen

en vrouwen zijn die zich met politiek bezig houden, om een dam op te werpen tegen die golf van geweld en criminaliteit:

men moet het vooral samen willen doen. Er moet een gans nieuwe strategie op gang gebracht

worden. Het is niet voldoende de gesel te bestrijden, men moet de wortels uitroeien: men moet vooral preventief

22 werken, op een oordeelkundige manier, door eerst en vooral de echte waarden hun plaats terug te geven. (sept. 1997)

———————-

Hetgeen men de bevrijding heeft genoemd is in feite niet zo gunstig geweest voor de ontplooiing van de mens.

Na al de ontberingen en het lijden, na de doodsangsten die wij uitgestaan hebben, werd het een echte explosie: van

vreugde, maar ook in veel gevallen van wraak, van laksheid, van een wedloop naar puur materieel geluk. (sept. 1997)

———————-

Laat ons, eerst en vooral, zelf kleine getuigen worden die van deze bron leven, door ons begrip, door ons

meevoelen, door onze goedheid en levensoptimisme. Daar ben ik helemaal van overtuigd, maar hoewel ik het al sinds

twintig jaar weet, ben ik nog altijd aan de eerste letter van het alfabet. Wat een geduld moet Gij toch hebben, Heer!

(sept. 1997)

———————-

De Voorzienigheid heeft ons veel geholpen vanaf de stichting van Poverello. Wij hebben geen subsidies en spijts

alle problemen is het gegroeid, de huizen vermenigvuldigden zich, dank zij de inzet van honderden medewerkers en het

groot hart van duizenden anderen die ons steunen : het hart, de liefde staat centraal in Poverello. (juni 1998)

23 Alles verloopt daarom niet altijd van een leien dakje, er wordt enorm gewerkt, maar men moet erin geloven en

vooral het samen doen, met hart en ziel. Veel jongeren die bij ons komen zijn getroffen door de optimistische sfeer

die zij bij ons vinden, spijts de schrijnende miserie. De kracht ? Liefde ! Spijts al mijn tekortkomingen,

mijn zwakheid, mijn onmacht, moet ik mij altijd naar de bron van de Liefde keren, er de nodige energie putten om

recht te blijven. Ik mag niet opgeven, loslaten, twijfelen.

Zelfs in de diepste afgrond waar ik mij bevonden heb, was er altijd een klein lichtstraaltje. Er is hoop voor iedereen,

want er is altijd iemand die ons liefheeft ! (juni 1998)

↓